Home Orgel Tweede fase restauratie (2009-12)
Tweede fase restauratie (2009-12)

orgelbalkonOrgelbalkon en orgelkast

De verhoogde rabatvloer (1964) van het orgelbalkon werd weggenomen. Daarmee werd ook bij de klaviatuur een Arbo-technisch veilige zitpositie gerealiseerd omdat de borstwering weer voldoende hoogte heeft. De aanwezige dikke fundamentbalken zijn nu in het zicht gelaten. Onder de huidige balkonvloer is onder het orgel een extra tussenvloer aangelegd t.b.v. betere bereikbaarheid van het regeerwerk in geval van storingen. Alle kastwerk werd waar nodig gestabiliseerd en de nieuwe pedaalkast werd met de oude kast verbonden met liggers en stemgangen.

Windvoorziening

Er werd een tweede nieuwe keilbalg gemaakt (naar Haaksbergen). Deze werd in de balgkast geplaatst boven de balg die reeds in 2001 was aangebracht. De deels al  in 2001 nieuw gemaakte windkanalisatie voor alle werken werd n.a.v. de aanwezige oude HW-windladeopeningen en de berekeningsmethode van Haaksbergen, waar een fraaie klassieke windkarakteristiek aanwezig is, verder aangevuld. Op het hoofdkanaal werd een nieuwe opliggende tremulant voor het hele werk aangesloten.

Regeerwerk  en klaviatuur

Op basis van oude foto’s (er zijn alleen foto’s beschikbaar van ná 1955) werden zowel de klaviatuur als de walsborden gerestaureerd en deels gereconstrueerd, waarbij de historische manuaalklavieren (met schuifkoppel) weer op hun plaats terugkeerden. Hetzelfde gold voor de nog aanwezige registerknoppen uit 1955, die destijds waren gekopieerd van de oude knoppen. De nieuwe klaviatuurwand en positionering van de registerknoppen zijn gemaakt n.a.v. de foto’s van de oude situatie. De klavieren waren in 1955 echter dusdanig slecht aangepast en zo ver-restaureerd en deels vernieuwd, dat moest worden besloten het gehele raamwerk en het schuifkoppel-mechanisme opnieuw te vernieuwen. De oude toetslengte werd hersteld met dikkere frontons en nieuw beleg. De oude positie van de klaviatuur in de kast was voorheen ergonomisch zo problematisch voor de bespelers, dat dit de aanleiding was om de klaviatuur in 1981 te vernieuwen. Daarom is bij de recon-structie een ligging nagestreefd die recht doet aan een natuurlijke zithouding en derhalve goede bespeling. Toets- en registermechaniek moesten volledig nieuw worden gemaakt. De factuur van de nieuwe welborden is n.a.v. foto’s van de oude situatie gerealiseerd. Delen van het regeerwerk zijn deels in de huisstijl van Mense Ruiter uitgevoerd i.p.v. een exacte kopie van die van Haaksbergen vanuit de optiek dat er niet als feitelijke zekerheid gesuggereerd wil worden dat het orgel daadwerkelijk ooit door Honhof  is gebouwd. Dit is immers niet bekend. Het nieuwe pedaalklavier is gemodelleerd naar de tijd en streek van afkomst. De bestaande orgelbank van  1955 is gerestyled en deels geschilderd. Nieuwe registeropschriften in stroken en aparte plaatjes zijn door Helmer Hut in bijpassende stijl geschilderd.

Windladen en pijpwerk

Het uitgangspunt was om voor zover mogelijk de verplaatsingen en ver-schuivingen van het pijpwerk ongedaan te maken. Met het oog op het sinds 1955 meer zelfstandige Bovenwerk werd de dispositie van het Hoofdwerk (met de gerestaureerde lade) hersteld naar de de situatie van 1847, met dienverstande dat de Mixtuur werd uitgebreid met één koor zoals in de Armbrost-Honhof traditie gebruikelijk is, namelijk 2-3 sterk. Vanaf 1955 was de Mixtuur 3-4 sterk geweest. Reductie met één koor van deze Mixtuur, die eerder een verbreding van de labiaalklank t/m 2 voet toevoegt dan een klanktop geeft – het is bijna een enge Cornet zonder terts – , past goed op de windlade en past qua klank logisch in de klankopbouw. De Prestant 8 vt werd weer enkel en de Prestant 16 vt. discant kwam weer op de plaats van de Sesquialter van 1955. Het pijpwerk uit 1847 werd aangevuld met nieuw pijpwerk ter vervanging van het Leeflang pijpwerk. De in 1954 uit sommige oude delen samengestelde ‘historische fantasie-Trompet’ moest worden vervangen, omdat dit register weinig homogeen was qua materiaal en mensuur, zodat ook na restauratie geen goed functionerend tongwerk kon worden verkregen. Ook een bijpassende factuur van de andere tongwerken zou dan uiterst problematisch geweest zijn. Bovendien is er slechts ruimte op beide windladen voor metalen stevels. In dat opzicht waren de metalen stevels van de fabrieks Kromhoorn 8 vt. wel juist, maar ook dit register moest worden vervangen omdat het geheel niet past in het klankbeeld van 1800/1847. Het zoet-zingende en melancholieke klank-beeld van de labialen deed ook een meer Rijnlandse stijl van de tongwerkfactuur (krachtig en ruisend) vermoeden als noodzakelijke tegenhanger.

Op het Bovenwerk hadden meer wijzigingen plaatsgevonden dan op het Hoofdwerk. Omdat de Bovenwerklade nieuw moest worden gemaakt, ontstond de mogelijkheid om de oorspronkelijke dispositie aan te vullen met twee nieuwe aliquotregisters in de vorm van een Nasard 3 vt. en een Terts 1 3/5 vt. naar de makelij van het oudste pijpwerk. Daarmee kon het wegnemen van de Sesquialter – een in 1955 tot aan 2001 als een verrijking ervaren register – worden gecompenseerd). De plaats van de niet meer aanwezige (wijde) Holpijp 8 vt kon vervallen ten gunste van de sinds 1955 volledig bezette Prestant 4 vt en de ook oorspronkelijk aanwezige Prestant 8 vt discant. De draagkracht van de enge Fluit Does 8vt in de bas (voornamelijk het Quintadena-pijpwerk van 1955) compenseert het gemis van de Holpijp echter in hoge mate. Voor het nieuw te maken labiaalpijpwerk kon het historische pijpwerk uit het Rolder orgel volledig als referentiebeeld worden gebruikt. Nergens hoefde elders naar een voorbeeld worden gezocht. Het gehandhaafde pijpwerk van 1955 werd bij de herintonatie zoveel als mogelijk geremodelleerd naar het bestaande oude.